Month: April, 2007

The Wonder Spot

Ik heb last van een mengeling van nieuwsgierigheid en heimwee. Tot halverwege deze week leefde ik mee met Sophie, en 20 jaar uit haar leven. Het verhaal waarin ze tot leven kwam was mooi verpakt. Een cover met de skyline van New York.

Sophie leek soms een beetje op mij. Of ik op haar. Ik zat er helemaal in. Haar familie, haar werk, haar vriendschappen en liefdes.
Geeft niks hoor, NS, dat ik 4 x zolang over mijn treinreis doe dankzij een `botsing tussen een trein en een persoon’. Ik heb Sophie bij me. Het komt goed.

Deze roes van gelukzaligheid duurde een kleine week. Pas aan het einde van deze periode begon het te dagen: dat dit verhaal niet eindeloos is. Dat het boek niet voor niks een achterkant heeft. Bij pagina 320 ging ik expres langzamer lezen. Maar het mocht niet deren. Vier pagina’s later verliet Sophie mij.

Ik heb het zwaar, maar het leven gaat door. Morgen ga ik proberen aan een nieuw boek te beginnen. Ik moet toch verder.

Ook lezen?

Thumbs up

Tot mijn twaalfde duimde ik. Dat was veel te oud om nog te duimen. Maar ik kon gewoon niet slapen zonder mijn duim in mijn mond te steken. Hulpmiddel hierbij was een knuffelbeest met de fantasierijke naam Hondje (ik had ook nog een knuffel genaamd Beer; orginaliteit wordt zo overschat).

Door dat jarenlange gesabbel waren mijn voortanden inmiddels behoorlijk naar voren gaan staan. En om mijn pubertijd niet te laten verpesten door de bijnaam Thea, besloten mijn ouders daarom dat ik een beugel moest.

Nou was dat in die tijd niet zo gek. Tegenwoordig zie ik bijna geen enkel kind meer met zo’n martelwerktuig in zijn of haar mond, maar begin jaren `80 was het een bijna verplichte accessoire. Het had echter een paar nadelen, waarvan de eerste al snel duidelijk werd: duimen ging niet meer. De eerste nacht met mijn beugel in heb ik het nog geprobeerd, maar helaas: het werd cold turkey afkicken. En dat lukte. Op weg naar mooie tanden en een leven zonder duimverslaving. Twee vliegen in 1 klap.

Twintig jaar later ben ik een forens met rechte voortanden. Vorige week kwam er een dame tegenover mij zitten in de trein. Ik schatte haar eind twintig. Ze snauwde wat in haar mobiel, keek naar haar nagels en naar buiten. Ze had hele mooie nagels. Van die net niet te lange, verzorgde blankgelakte exemplaren. Ik vergeleek ze met mijn armzalige stompjes, werd jaloers en keek weer naar haar.

En toen gebeurde het. Haar ogen gingen een beetje dicht, ze liet haar hoofd rusten tegen de leuning. En toen! Haar mooi gemanicuurde rechterduim verdween zachtjes in haar mond. En als bonus stopte ze haar wijsvinger daarbij in haar neus. Ik knipperde. Ik zag het goed. Ik was gebiologeerd.

Ze deed haar ogen open. Haalde haar duim uit haar mond, haar wijsvinger uit haar neus. Pakte een boek uit haar elegante tas en sloeg deze open. Ze hield het boek zo hoog dat ik haar gezicht niet meer kon zien. Maar in de spiegeling van het raam zag ik haar duim en wijsvinger langzaam dezelfde route als net afleggen.

De trein stopte, haar duim ging uit haar mond, haar wijsvinger uit haar neus, het boek in haar tas. De rest van de avond had ik `Beugelbekkie’ van Kinderen voor Kinderen in mijn hoofd.